Select Page
Er is salarisongelijkheid tussen mannen en vrouwen in Nederland en dat verschil ligt rond de 4 euro per uur. Of die ongelijkheid rechtgetrokken dient te worden is een discussie die op dit moment vooral aandacht krijgt door een interview met klinisch psycholoog Jordan Peterson door Cathy Newman. Peterson stelt dat salarisongelijkheid slechts voor een klein deel het gevolg is discriminatie, maar dat het vooral is gegeven door biologie.
Het interview
Begin van het jaar werd Jordan Peterson, auteur van het boek 12 regels, geïnterviewd op het Britse Channel 4. De zorgvuldigheid waarmee hij zijn woorden koos, de relatieve kalmte die hij hield ondanks de onredelijkheid waarmee hij benaderd werd en de ogenschijnlijk hoge dossierkennis van het onderwerp, oogstte bewondering onder liefhebbers van het debat. Dat effect werd nog eens versterkt door de rampzalige wijze waarop Newman haar interviewee benaderde, dat niet anders dan geclassificeerd kon worden als een totale ramp. Bij elkaar leidde het tot uniek (leed)vermaak, maar ook inspiratie tot het opvoeren van gekopieerde argumenten. Het zijn vooral die argumenten die ik wil adresseren, omdat deze op veel punten ongenuanceerd zijn.
1. Zijn standpunt is bewezen
Het is interessant om te zien dat een man als Jordan Peterson, stellig durft te beweren dat zijn standpunten zijn bewezen. Die claim maakt hij meerdere malen en de stelligheid is in stevig contrast met de zorgvuldigheid die hij verder demonstreert, maar veel interessanter is dat het in sterk contrast is met wetenschap. Je kunt namelijk niets bewijzen en we kunnen een factor missen, waardoor je de conclusie compleet kan verwerpen. Hij stelt dat multivariate analyses tonen dat het geslachtsongelijkheid in salaris, veelal niet het gevolg is van geslachtsdiscriminatie. Het is onduidelijk naar welke analyse hij precies refereert, maar er zijn er meerdere die grotendeels zijn standpunten steunen. Belangrijk is dat je in een multivariate analyse niet iets kunt analyseren waar je geen rekening mee hebt gehouden en het belang ervan zal ik verderop toelichten. Daarnaast is het belangrijk om duidelijk te krijgen dat correlatie niet gelijk is aan causaliteit, een belangrijk punt, omdat hier sprake is van een observatie. Allemaal zaken die ik niet zou hoeven te vermelden als Peterson niet zo stellig was in het interview. Mogelijk dat het vooral een reactie was op de vooringenomen wijze waarop zijn interviewer hem benaderde.
2. Geslachtsdiscriminatie is verwaarloosbaar
Volgens Peterson is er wel sprake van geslachtsdiscriminatie, maar is het effect ervan op het totaal klein, zo niet verwaarloosbaar. Hoewel dat uit de analyses blijkt, is het ook duidelijk dat diverse factoren niet zijn meegenomen. In een interessant onderzoek van sociaal psycholoog Corinne moss-Racusin werden twee identieke CV’s voorgelegd aan 100 biologen, scheikundigen en natuurkundigen die werkzaam waren in een academische omgeving. Zij moesten de CV beoordelen op geschiktheid van functie. Het enige verschil tussen de CV’s was de naam. De een betrof een Jennifer en de ander een John. Jennifer werd niet alleen kwalitatief minder competent bevonden, maar kwantitatief 4.000 dollar minder salaris per jaar toebedeeld, een salariskloof van 13 procent. Het is om die reden dat men experimenteert met geanonimiseerde sollicitaties. Ook daar blijkt in veel gevallen een andere keuze gemaakt te worden, dan wanneer men beschikt over de geslachtsachtergrond. Het aantal publicaties met dit soort experimenten zijn helaas nog te beperkt, maar het geeft meteen de beperking aan van de argumenten van Peterson, aangezien dit soort inzichten te jong zijn voor de analyses waar hij zich op baseert. Dan hebben we het niet eens over de advertenties waarin expliciet een voorkeur wordt uitgesproken voor een geslacht, hetgeen bij wet verboden is. Dit gebeurt vooral bij kleinere bedrijven (< 50 medewerkers), die geen vaste HRM medewerker hebben, maar waar personeelszaken veel vaker een onderdeel uitmaakt van de boekhouding. Dit type bedrijf vormt echter de ruggengraat van de arbeidsmarkt, maar valt buiten dit soort onderzoeken, waardoor een vertekent beeld ontstaat. De situatie is in het echt waarschijnlijk veel erger nog dan de data suggereren.
Toch blijven ook grotere bedrijven niet gespaard van geslachtsdiscriminatie. Het rapport ‘Gelijke beloning verzekerd?’ van het college van de rechten van de mens bespreekt een analyse binnen de verzekeringbranche. Dit soort organisaties hebben een professioneel loonbeleid en werken dan ook met een aan een CAO gebonden loongebouw, waar schalen verbonden zijn aan functies. Salarisverhoging is ook gekoppeld aan uitkomsten van functioneringsgesprekken en het zou moeten betekenen dat salarisverschillen op basis van objectieve criteria verklaard zouden moeten kunnen worden. Naast de objectieve criteria voor salariëring blijken er namelijk allerlei factoren mee te spelen, die niet gestandaardiseerd zijn, zoals vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, het salaris in een vorige baan en ook onderhandeling. Op basis daarvan kan men kiezen voor een andere trede binnen de loonschaal. Het gaat hier veel meer om subjectieve criteria en het is opvallend dat dit juist bij vrouwen nadelig uitpakt, zelfs bij dit soort sterk geüniformeerde organisaties. Het gevolg is dat vrouwen tussen de 0,2 en 3 procent minder verdienen dan mannen bij gelijke functies. Peterson spreekt daar verder niet over, maar verwijst naar persoonlijkheidstrekken.
3. Vrouwen scoren hoger op de persoonlijkheidstrek altruïsme
Voorspellende factoren in het bedrijfsleven zijn intelligentie, consciëntie en nauwkeurigheid. Vrouwen verschillen daarin nauwelijks van mannen en het is de vraag wat dan wel het verschil maakt. Peterson wijst de peroonlijkheidstrek altruïsme aan, waar vrouwen hoger op scoren. Het betekent dat ze vaker streven naar harmonie. Dat is niet altijd even handig in het onderhandelen gebleken en hij stelt dat vrouwen maar beter moeten leren onderhandelen. Ze moeten zich meer mannelijke trekken aanmeten. Dat klinkt pragmatisch, zeker gezien de biologische verklaring die Peterson aanhangt en daarmee onderstreept hij het idee dat mannen van Mars komen en vrouwen van Venus, zoals John Gray al ooit kleurrijk in zijn bestseller betoogde. Aangezien men beter betaalt op Mars, moeten vrouwen dus maar naar Mars komen. Dit wordt echter minder logisch als blijkt dat deze mannelijke trekken helemaal niet nodig zijn voor de desbetreffende functie. Veelal heeft men deze trekken nodig om de functie te bemachtigen, maar niet om deze goed te bekleden. Het idee dat vrouwen zich moeten aanpassen om de functie te bemachtigen is dan absurd, want als dat de norm is, kunnen we terug naar het recht van de sterkste. Mannen zijn gemiddeld fysiek sterker dan vrouwen, dus hebben ze altijd voorrang bij elke functie, ook als fysieke kracht geen vereiste is voor de functie. Ergens is besloten dat fysieke kracht geen rol mag spelen, omdat vrouwen altijd het onderspit zouden delven. Het is daarom inconsistent om een zwakkere onderhandelingsbasis wel te accepteren, tenzij de baan natuurlijk die van onderhandelaar is, maar dat is meestal niet het geval.
4. Vrouwen hebben voorkeuren voor specifieke beroepen die minder betalen
Het argument dat vrouwen specifieke beroepen domineren omdat het simpelweg de voorkeur geniet, is niet zo sterk als lijkt. Er zijn geen duidelijke aanwijzingen in de ontwikkelingspsychologie. Alleen bij baby’s is consistent waargenomen dat jongetjes lomper / ruwer zijn. Daarna wordt het minder duidelijk of er sprake is van voorkeur op basis van genetische predispositie. Het is niet zo dat babymeisjes gek zijn op roze  en babyjongetjes alleen blauw kunnen verdragen. Zo blijkt het gedrag tussen jonge meisjes en jongens niet te scheiden, tot een ouder verschijnt in de ruimte. Kinderen voegen zich namelijk dan naar het gedrag van de ouder van hetzelfde geslacht. Dit zijn allemaal geen nieuwe vindingen, maar wel zaken die knabbelen aan het veronderstelde biologisch fundament dat Peterson aanhangt. Onze voorkeuren worden mede bepaald door onze omgeving en zouden wel eens veel minder hardwired kunnen zijn dan Peterson beweert. Toch heeft hij een punt met zijn voorkeursargument. Hoewel vrouwen net zo goed op exacte vakken scoren als mannen, kiezen ze veel minder vaak voor dit soort vakken dan mannen. Tenminste in welvarende landen, want in landen waarin baan- en inkomenszekerheid veel minder is, valt de keuze veel vaker op dit soort vakken. Het is voor Peterson een reden om aan te nemen dat bij absentie van financiële dwang, deze voorkeur de verhouding moet verklaren. Punt 2 en 3 maken echter duidelijk dat bepaalde omgevingen en de academische in het bijzonder, bedreigend zijn en daarmee de voorkeur nogal sterk beinvloeden. Mannen vinden bedreigende omgevingen ook niet specifiek aantrekkelijk, maar de kans dat iets bedreigend is voor de vrouw is vele malen groter.
5. Topposities voor mannen
Volgens Peterson zitten mannen aan de top, omdat ze bereid zijn om 70 uur te werken in een week, intelligent, heel gezond, zeer energiek en consciëntieus zijn. Hiermee suggereert hij dat ze in die posities zitten omdat ze competent zijn en snoeihard werken. Dit soort uitspraken doen vermoeden dat hij niet heel bekend is met het veld van psychologie arbeid en organisatie. De meeste topmanagers zijn namelijk niet ubercompetent en als ze anoniem gescreend zouden worden, dan blijken ze veelal psychopathische trekjes te hebben. Ze gaan over lijken, maar ze kunnen het uitstekend verbergen. Hun competentie ligt vooral gelegen in het veroveren en behouden van een positie en heeft niet zoveel te maken met inhoudelijke kwaliteiten of een bovengemiddelde werkethiek. Psychologen die hierin gespecialiseerd zijn, maken onderscheid tussen successvolle- en niet-succesvolle psychopaten. De succesvolle bekleden topposities in het bedrijfsleven en de niet-succesvolle zijn de criminelen die uiteindelijk in de gevangenis belanden. Hoewel er ook vrouwelijke psychopaten zijn, maken ze minder kans, simpelweg omdat ze een fysieke confrontatie zouden verliezen. Seksueel misbruik door topmanagers daarentegen komt regelmatig voor, waarbij fysieke dwang niet geschuwd wordt. Seksueel misbruik door vrouwelijke topmanagers vindt ook plaats, alleen zonder de fysieke dwang. Daar zit duidelijk een verschil. Naast deze psychopathologische bevindingen, zijn er ook minder schokkende, maar desalniettemin belangrijke oorzaken. Vrouwen hebben namelijk simpelweg minder tijd over dan mannen, omdat ze niet alleen een onevenredig deel van het huishouden voor hun rekening nemen, maar ook omdat een carrière naast hun moederschap maatschappelijk niet aanvaard wordt. Het zou namelijk schadelijk zijn voor het kind, waardoor extra inzet en tijd voor werk uitblijft. De maatschappij hanteert geslachtsdiscriminatie, een obstakel voor een topcarrière. Vrouwen werken dus minstens net zoveel door de huishoudelijke- en zorgtaken, maar worden niet beloond met een glansrijke carriere.
6. Biologische hiërarchie
Peterson is wars van politieke correctheid en suggereert dat er sprake moet zijn van een natuurlijke hiërarchie. Hij maakt een vergelijk met de kreeft. Dit vergelijk is nogal vergezocht en een marienebioloog vondt het vergelijk een reden om Peterson te scholen over het seksleven van kreeften en aanverwante soorten. Volgens Peterson zou de sociale status bepalend zijn voor de hoeveelheid serotonine en hoe hoger ze in de hiërarchie ze zitten, des te meer positieve emoties ze ervaren door de verhoogde serotoningehaltes, terwijl lagere gehaltes juist moeten leiden tot depressieve symptomen. Dat is een leuke hypothese, maar in veel gevallen blijken evolutionaire hypotheses nogal moeilijk te bewijzen, maar de zekerheid waarmee hij de verklaring als feit voorschotelt is verbazingwekkend. Vooral het idee dat je het op kunt hangen aan een neurotransmitter is absurd. Allereerst is de architectuur van het menselijk brein zoveel anders dan die van de kreeft dat de mix van verschillende stoffen compleet andere uitkomsten kan bieden. Een relevante casus is die van een patiënt waarvan ze op 27-jarige leeftijd pas ontdekte dat hij nauwelijks serotonine aanmaakte. De man had van alles, waaronder slaapproblemen, maar van depressiviteit was geen sprake. Uitkomsten ophangen aan een enkel hormoon / neurotransmitter is een hachelijke zaak, zo is al gebleken voor cortisol en oxytocine. Dat Peterson diezelfde verleiding niet kan weerstaan is vervelend, omdat hij aan de ene zijde mythes probeert te ontkrachten, terwijl hij anderen versterkt, de ironie.
Conclusie
Het is overduidelijk dat Jordan Peterson meer van de nature dan nurture is en in een wereld die steeds meer afstevent op een maakbaar imago, leidt dat tot impulsief verzet. Juist dit gebrek aan impulscontrole, sterkt het idee dat Peterson gelijk heeft, maar het ongelijk van de een zorgt niet automatisch voor het gelijk van de ander. Salarisongelijkheid is zeker niet geheel toe te schrijven  aan geslachtsdiscriminatie, maar de indruk die gewekt wordt is dat het aandeel nagenoeg verwaarloosbaar is. Het is overduidelijk dat mannen beter betaald krijgen dan vrouwen, maar Peterson stelt dat dit voor grootste deel toe te schrijven is aan biologische drijfveren en niet aan sociale oppressie. Mannen krijgen beter betaald omdat ze van Mars komen en vrouwen minder omdat ze van Venus komen, zo stelt Peterson. Dat kan wel waar zijn, maar de vraag is niet of ze op Mars meer betaald krijgen, zoveel is namelijk wel duidelijk, maar of ze meer verdienen. Die vraag wordt door Peterson niet overtuigend beantwoord, aangezien hij correlatie opvoert als causaliteit, neurobiologie ten onrechte extrapoleert naar psychologie en zijn kennis en ervaring van organisatiepsychologie, om over kreeften maar te zwijgen, duidelijk tekort schieten. Zijn werkelijke standpunten zullen ongetwijfeld genuanceerder zijn, maar ik kan het uitsluitend beoordelen op basis van wat ik waargenomen heb via het interview.

Geraadpleegde bronnen:

  • Akin M (2005), Amil O, Is Your Manager a Psychopath? An Evaluation of the Relationship between the Personality Types of Managers and Workers and the Levels of Psychopathy

  • Babiak P (2010), Neumann CS & Hare RD. Corporate psychopathy: Talking the walk. Behavioral Sciences and the Law, 28, 174–193.
  • O’Brien M (2012), Huston AC. Activity Level and Sex-Stereotyped Toy Choice in Toddler Boys and Girls. Pages 527-533 | Received 19 Nov 1984, The Journal of Genetic Psychology Published online: 11 Sep 2012